De engelenmaker

Een weerzinwekkend verhaal. Ik ben blij dat ik het boek uitheb en dat ik het in Gent kon achterlaten.
Ik las ondertussen dat de auteur, Stefan Brijs, houdt van mensen van wie er een hoekje af is. Wel, aan Victor Hoppe is er meer dan een hoekje af. Vanaf het eerste moment van zijn bestaan wordt hij verstoten. Hij wordt geboren met een hazelip, waardoor zijn moeder van hem walgt, en hem de dag na zijn geboorte laat opnemen in een klooster. Als hij drie jaar is en nog altijd geen woord heeft gezegd, wordt hij idioot verklaard, wat zijn verder verblijf in de instelling rechtvaardigt. Als zijn vader veel later inziet dat zijn zoon allesbehalve idioot is haalt hij hem naar huis, maar dan is het kwaad geschied. Victor legt zijn genie en zijn religieuze waanzin samen om zelf schepper te worden.
Walg, ontzetting, en een bijna abstract gevoel van medelijden, dat roept dit boek bij me los. Brijs is erg goed in het oproepen van die walg. En zijn Victor is, hoe geïsoleerd en afwijkend van de rest van de mensheid ook, een geloofwaardig personage.
Ik twijfel er geen moment aan dat er op deze aarde al menselijke klonen leven. Het kan niet anders dan dat die afgesloten van de wereld leven, en dat ze tijdens hun leven dienen als wetenschappelijk materiaal.
‘Engelenmakers’ biedt een variant van dit verhaal. Bij mij brengt het met de walg het besef naarboven dat de realiteit waarschijnlijker nog veel weerzinwekkender is.
Een walgelijk, maar ijzersterk verhaal.

Advertenties

Never let me go

Anderhalf jaar geleden las ik ‘Never let me go’ van Kazuo Ishiguro.
Sedertdien is het boek mij met taaie tentakels naar zich toe blijven trekken.

Nu ja, dat een boek blijft nazinderen, is dat niet wat u en ik van een ‘goed’ boek verwachten?
Maar dit was anders, want ik kon maar niet de vinger leggen op wat het nu precies was in ‘Never let me go’ dat me niet los liet, of beter gezegd misschien, op hoe de auteur dit effect bereikte.

Het gegeven : in een soort gesloten kostschoolgemeenschap worden menselijke klonen grootgebracht en opgeleid tot wat hun uiteindelijke taak is : het afstaan van hun organen tot ze er erbij sterven. Hailsham, zo heet de instelling, is een experiment, een try-out waar geprobeerd wordt om menselijke klonen een menswaardig leven te laten leiden. Het is een groot voorrecht om deel uit te maken van Hailsham, want meestal wordt in klonen niet teveel geïnvesteerd : als ze maar gezonde organen leveren op het moment dat die nodig zijn.

Het gegeven op zich is al zo tragisch dat ik het boek toen ik het de eerste keer in handen kreeg maar gauw teruglegde. Ik heb het niet zo voor boeken met een boodschap.
En zeker niet als die zo beladen is.

Een tweede keer zette ik alles in op het schrijftalent van Mister Ishiguro, en terecht.

Het verhaal wordt verteld door Kathy H., die terugblikt op haar leven op het moment dat voor haar de tijd gekomen is om donor te worden. In haar verhaal komt ze naar voor als een intelligente, evenwichtige en trouwe jonge vrouw. Geen gejammer, geen zelfbeklag, geen opstandigheid, bij geen van haar lotgenoten trouwens. Kathy H. focust zich in haar terugblik vooral op het opvoedkundig aspect van hun kloon-zijn : hoe en wanneer zijn wij ingelicht over ons anders-zijn, ons voorbestemd zijn. Hoe heeft de instelling Hailsham dat aangepakt, en hoe werkte dat bij ons. Daarnaast is haar verhaal ook voor een stuk dat van een kind dat opgroeit met alles wat daarbij komt te kijken, vriendschappen vooral, ruzies, pesten, de houding van de leerkrachten, seks etc. Door haar meeslepende verteltrant vergeet je soms dat ze het over een klonengemeenschap heeft, en niet over een of andere willekeurige kostschool.

Toch legt ze nu en dan een ijskoude hand om je hart.
Het procédé dat de auteur hiervoor gebruikt is heel vernuftig.

Twee scènes om dit te illustreren:

Eerste scène: de kinderen zien Madame arriveren in haar wagen en spreken af om haar in groep te benaderen, om haar reactie te bestuderen. ‘And I can still see it now, the shudder she seemed to be suppressing, the real dread that one of us would accidentally brush against her’. De bedenking die Kathy later bij zichzelf hierover maakt: ‘The first time you glimpse yourself through the eyes of a person like that, it’s a cold moment’.

Tweede scene: Kathy is alleen in een klaslokaal, en ze speelt een cassetje met haar favoriete song. Ze zingt mee in haar eentje, met een kussen in haar armen: baby, baby, never let me go. Na een tijdje merkt ze dat iemand naar haar kijkt, Madame, en dat die staat te wenen.
Wanneer ze het daarna over het gebeuren heeft met een vriend, Tommy, delen ze met elkaar hun verwondering over het feit dat Madame blijkbaar begrepen had dat ze het had over een echte baby, en niet over een liefje. ‘Hoe kan zij dat begrepen hebben, Tommy, hoe kan ze begrepen hebben dat het kussen dat ik in mijn armen hield een baby moest voorstellen? Dat bestond toch alleen in mijn hoofd’. En ze besluiten dat Madame hoogstwaarschijnlijk helderziende is, iets wat hen doet huiveren.

Hierin zit het em, denk ik : de vertelster schuift af en toe, geheel onverwacht, een lens tussen haar blik en de buitenwereld. Met die lens probeert zij zich de blik van de buitenstaanders in hun gemeenschap eigen te maken.
En dat werkt, in het kwadraat. Want die buitenstaanders, dat zijn wij. Wij, lezers, niet-klonen, mensen uit de buitenwereld, krijgen via ‘Madame’ onze eigen gevoelens in de strot geduwd. Alsof ze door een lens weerkaatst, en tienvoudig versterkt worden.

Dat maakt bepaalde scènes in het verhaal voor mij zo verschrikkelijk aangrijpend.

Dat, en dat niet alleen. Later hierover meer.