Nieuwe bibliotheek

Een memorabele dag gisteren. Onverwacht krijgen wij na de middag een rondleiding door een stuk van de nieuwe Gentse universiteitsbibliotheek. De mevrouw die ons het bezoek aanbiedt is een innemend mens. Ze praat zacht maar gedecideerd over opzet, plannen, problemen, besprekingen, beslissingen. Over gebouwen, plafonds, verf, niveauverschil, trappen.
En nu lopen we tussen de rekken, en dit moet je zien. Letterkunde en nog eens letterkunde: Nederlands, Duits, Engels, Frans, boeken over en boeken van. Mijn hart zingt. Dit is het wat ik al jaren gemist heb. In de openbare bibliotheek zweef ik zowat tegen het plafond als het over literatuur gaat. Hier is dat plafond weer de vloer, de grond onder mijn voeten. En ja, buitenstaanders zijn hier ook welkom, mogen ook boeken ontlenen. Ik voel me alsof ik een werelddeel ontdekt heb. Herontdekt eigenlijk, want ik herken de mengeling van ontzag en verrukking uit vroegere tijden. Dit gebouw, deze collecties, zijn nog niet van mij af.

Advertenties

Bibliotheken en bibliothecari/e/ssen in de literatuur

In afwachting van een bericht over ‘Never let me go’ van Kazuo Ishiguro, krijgt u van mij een citaat in wat in het vervolg een rubriek zal vormen met de titel ‘Bibliotheken en bibliothecari/e/ssen in de literatuur.

p. 233 in ‘Het spel van de engel’ van Carloz Ruiz Zafón, uitg. Signatuur, 2009 :

‘Na twee dagen had ik al vriendschap gesloten met Eulalia, de hoofdbibliothecaresse, die uit de papiervloed onder haar hoede teksten en boeken voor me selecteerde en soms een bezoekje bracht aan mijn tafel in de hoek om te vragen of ik verder nog iets nodig had. Ze was ongeveer van mijn leeftijd en bezat esprit in overvloed, die ze gewoonlijk uitte in enigszins venijnige stekeligheden.
‘U bent veel heiligenlevens aan het lezen, mijnheer. Heeft u besloten om nu, op de drempel van de rijpste volwassenheid, koorknaap te worden?’
‘Het is slechts onderzoek.’
‘Ah, dat zeggen ze allemaal.’
De humor en pit van de bibliothecaresse waren een onbetaalbaar balsem, waardoor ik de gortdroge teksten kon overleven en mijn onderzoekspelgrimage kon voortzetten.’

Kijk, dat doet ons, bibliothecaressen, nu plezier, dat we voor de verandering eens niet geportretteerd worden als verzuurde oude vrijsters, maar als vrouwen met ‘esprit’. En wie meent hier bij Zafón het gebruik van ironie te moeten ontwaren, die leze verder op p. 234.
Dit is een stap vooruit ten opzichte van de waardering waarmee onze beroepsgroep, en zeker de vrouwelijke beoefenaars van dit beroep, het door de band moet stellen.