Oorlog in het aprilnummer van Het Liegend Konijn

Het Liegend Konijn

Het aprilnummer van deze jaargang is gewijd aan oorlog.
Véél gedichten over oorlog, dacht ik, toen het lijvige nummer bij ons op tafel lag, te veel, dacht ik ook.
Maar nee, bij poëzie is het altijd sprokkelen. Veel ‘beginnen lezen’, eerder ongeïnteresseerd, want een bladzijde zet je niet noodzakelijk op gang, zoals bij proza. Veel bladeren, want hier de vorm, daar de eerste regels, een dichter, enkele woorden.
Bij Erik Spinoy was het de naam die me trok, vanuit een vroeger leven, en ja, bam!, dit is het:

Responsoria

‘Ik ben de stem die geen stem geeft aan wat al reeds een stem heeft’ (Lucebert)

Ik ben een stem die een stem heeft door wat nooit een stem heeft heen.

De stem ben ik die natte keelslag is in uitgedroogd geconverseer.

Ik ben de stem die het, alweer, een nieuwe keer probeert.

Hellfire, hellevuur: we sliepen zo vaak niet van het geronk.

We sliepen vaker niet van wat er in ons klonk: een soort van diepste ondertoon.

We liepen naar de plek waar zij zo-even had gestaan en schraapten van de muren wat er overbleef.

Nadien was de zomer plots zo heet dat gauw de kleine vijver droogviel
lis en riet verdorden en de kikvors stierf.

Niets maar niets dus wat men niet verwachten kon.

Erik Spinoy

‘die natte keelslag is’: god dit is mooi.

Advertenties

Bring up the bodies Hilary Mantel

Na ‘Wolf Hall’ lees ik nu het vervolg, ‘Bring up the bodies’. Ze zijn mijn type boek: de romantisering van een stuk geschiedenis. De feiten zijn gekend, maar hoe deden ze zich precies voor? Wie waren de betrokkenen? Hoe leefden ze? Wat waren hun motieven? Hoe zag het politiek landschap er toen uit? Hoe kaderde het stukje historie in de tijdsgeest? Welke karakters botsten of werkten samen in de ontwikkeling van de gebeurtenissen?
Of je nu wil of niet, je moet wel bewondering hebben voor Cromwell. Maar wie gedacht had in het hoofd van Cromwell te kunnen kijken, is er aan voor de moeite. Op het einde van ‘Wolf Hall’ lezen we dat hij zelden of nooit aan zelfreflectie doet. Ontgoochelend vond ik dat eerst, maar nu lijkt me dat een mogelijke verklaring voor zijn succes. Niet dat hij als een mens zonder gevoelens naar voor komt. De dood van zijn vrouw en zijn twee dochtertjes is een terugkerend motief. Maar Cromwell twijfelt nooit. Zijn geest is onvermoeibaar en altijd, altijd aan het werk.
Als ik één ding weet na het lezen van het eerste deel, is het dat niemand die direct met het koningshuis te maken had, zijn leven ooit zeker was. Cromwell allerminst natuurlijk.
Twee jaar geleden bezocht ik in London de nu weer opengestelde Tower. In een klein torenkamertje lees je dat dit het vertrek is waar Anne Boleyn opgesloten werd, voor ze ter dood gebracht werd. Als ik dat nu zou lezen, zou het me een schok van herkenning geven. Want ik ken Anne Boleyn nu, ik ken ook de koning, de hele hofhouding, en ik ken Cromwell en de machinaties die nodig waren om Anne Boleyn ten val te brengen.
Het woord ‘romantisering’ dat ik hier in het begin gebruik, heeft misschien de negatieve connotatie, van ‘mooier, sentimenteler maken’, maar voor mij betekent het gewoon ‘menselijker’ maken, menselijker, en dus ‘echter’, ‘breder’, ‘dieper’
Historische feiten situeren en verklaren door ze tot leven te brengen, negatief kan dat niet zijn.