TeeDeeBees

Het is moeilijk met Teedeebees. De categorie afbakenen is zelfs bijna onmogelijk, de randen blijven diffuus. Soms, bij momenten zijn ze duidelijk afgetekend, en is er geen twijfel aan. Maar evengoed kan een werk een jaar later zijn teedeebeeschap hebben afgelegd, en naar een andere categorie overgestapt zijn.
Iemand vroeg me onlangs of ik een paar auteurs kon noemen die het teedeebeeschap vertegenwoordigen. Nu is het eigen aan een TDB dat de naam van de auteur niet zoveel belang heeft. Maar toch: Justin Cartwright, Sebastian Faulkner, Tim Parks, misschien Alexander McCall-Smith …. Ze zijn een beetje te vergelijken met  wat men bij de dichters de ‘minor poets’ noemt. Ze zullen dus nooit tot de canon behoren.
Maar pak mijn teedeebees weg, en ik ga op mijn achterpoten staan. Ik heb ze even nodig als de grote literatuur die je bloed verwarmt of die je koud maakt tot in je kern. Want ze verbreden mijn visie, vergroten mijn kennis, verdiepen mijn inzicht. Ze verzachten mijn oordeel, en ze verzoenen mij met het dagdagelijkse leven. Wat zou ik zijn zonder mijn tussendoorboeken?

Advertenties

Dood en begraven

Karel  van de Woestijne, Maurice Gilliams en Richard Minne, van het werk van die drie heb ik zeker iets gelezen. De namen Jan Emiel Daele en Gustaaf Vermeersch zijn mij bekend. Georges Hebbelinck, Norbert Edgard Fonteyne en Paul Kenis zeggen mij niets.
Stefan Brijs bundelde zijn essays over deze acht ‘vergeten’ auteurs onder de titel ‘Kruistochten’. Elk stuk biedt je: de dood en de begrafenis van de auteur met de weerklank die deze in de literaire wereld vond, een korte biografie plus bespreking van zijn werk, en een verslag van zijn eigen zoektocht naar hun graf.

Ik pik er twee namen uit.
Maurice Gilliams, omdat zijn begrafenis zo’n stof deed opwaaien.
Richard Minne omdat die met zijn schone kop boven de anderen uitsteekt.

De kerkelijke begrafenis die Maurice Gilliams kreeg, en dat hij daarna gecremeerd werd, zodat de vrijzinnigen die de kerkelijke dienst niet wilden bijwonen, ook zijn teraardebestelling moesten missen, zorgde voor een ferme opschudding. Was Gilliams bij leven niet een vrijzinnige? Was het niet zeer discutabel dat hij in zijn laatste levensjaren terug naar de stal zou zijn gekeerd? Tussen de katholieken en de vrijzinnigen vliegen de verwijten over en weer.
Ada Deprez, professor aan de RUG, schreef in een brief: … hij zal de kilheid van een aantal burgerlijke begrafenissen niet hebben geapprecieerd en overigens paste het geheel perfect  bij zijn aangeboren gevoel en behoeft aan stijl en decorum …
Een perfect aannemelijke verklaring vind ik. Die behoefte aan stijl en decorum op grote momenten deel ik met hem.
Maar het  is vooral het feit dat de oppositie kerkelijk en vrijzinnig nog maar zo’n vijftien jaar geleden zo sterk de gemoederen beroerde dat me frappeert.

‘… probeer ik met die vreugde te genezen de pijn waarmee de stad me heeft bezeerd’ : ik had durven zweren dat deze versregel die al meer dan dertig jaar in mijn hoofd leeft, van Richard Minne was. Toen ik in ‘Kruistochten’ las dat Minne in 1992 met een zware depressie uit het drukke Gent gevlucht was, dacht  ik natuurlijk dat ik nu de biografische verklaring voor deze regel had gekregen. Maar in zijn verzamelde gedichten ‘In den Zoeten Inval en andere gedichten’ zul je deze regel niet terugvinden. Het boek waar deze voor mij onvergetelijke versregel in staat heeft als auteur niet Richard Minne. Ik zie het meteen als ik in mijn boekenkast naar het boek grijp. Het is van Jan van Nijlen. Zo ben ik even op mijn plaats gezet.
Richard Minne schrijft heerlijke brieven. Als literair genre zijn brieven  miskend. Als ze op school een hele generatie brieven van Richard Minne hadden laten lezen, had dat anders kunnen zijn.
Want je kunt ermee lachen. Hier een stukje dat Stefan Brijs aanhaalt:
‘Ik kan onmogelijk een majeurtoon uit mijn snaar halen. Ze is bovendien weeral verroest en speelt vals. (…) ’t Is ’t seizoen, alles valt : de blaren, de hoop, de ambitie. (…) Evenals gij, geef ik mezelf een jaar krediet. Als ’t dan niet gebeurd is, dan vaag ik er mijn broek aan en ga van op de Hoge Brug rondekes spekelen in het water.’
Neerslachtigheid in deze woorden omzetten, daar neem ik mijn hoed voor af.
Richard Minne schreef niet graag, of toch niet onder druk, zegt Stefan Brijs, ‘maar een opsomming van wat hij wilde schrijven, zou een boek vullen’. Volgen zijn plannen voor te schrijven boeken, in één zin neemt hij zich zelfs voor om drie romans te schrijven :’Binnenkort schrijf ik een koloniaal roman, daarna een hemel-roman (…) Misschien volgt een helle-roman.’
Enfin, u moet ze zelf maar lezen, de biografie van deze melancholische humoristische man.
Wie nog werk van Richard Minne bezit en het kwijt wil, mag zich tot mij richten. Ik koop alles.

‘Kruistochten’ van Stefan Brijs is een verrukkelijk boekje. Zoveel dood, zoveel graven, en toch wordt er zoveel en zo intens in geleefd.

Kruistochten door Stefan Brijs
Antwerpen, Atlas, 1998, 187 p.