Post voor mevrouw Bromley (4)

John Patterson is maar een slap kereltje. In zijn houding tegenover de oorlog laveert hij tussen de twee in: tussen het dwaze patriottisme van Martin, en de even naïeve verheerlijking van de Duitse taal en de Duitsers bij zijn vriend Wim. Die laatste komt hem wel goed uit. Ze levert hem een motief om van de oorlog weg te blijven. Want een eigen visie heeft hij niet. Maar ook op andere vlakken valt er bij hem geen ondernemingslust te stelen. Hij koestert zijn verliefdheid op Mary, maar hij zet geen enkele stap om haar het hof te maken. Studeren is zijn ideaal , maar hij zakt voor zijn examens.
Tegenover zijn vader is hij koel en ondankbaar. Hij verpinkt niet als die om zijn herinschrijving te betalen een van zijn geliefde boeken moet verkopen, dringt er zelfs op aan. Schokkend vind ik de passage waarin hij bij een bombardement zijn vader gewoon achterlaat als hij het huis uitvlucht. Achteraf valt het hem in:”Hierdoor realiseerde ik me dat in alle minuten die verstreken waren sinds mijn vertrek, ik niet één keer aan mijn vader had gedacht”.
Het is de zoektocht naar zijn vriend die John voor mij aanvaardbaar maakt.
——————————————————————————
Waarvoor fictie goed is: de beschrijving van de oorlog, niet de feiten, niet de aantallen, niet de uitspraken, maar de ervaring.
——————————————————————————–
Dat Poperinge een rol speelt in het verhaal, maakt dat ik op een bepaald ogenblik in het verhaal stap. Ik loop met John mee van het station tot Talbot House, een paar van de café’s op het marktplein hadden al de naam die ze later hadden tijdens mijn uitgaansleven.
————————————————————————————
John’s vader, meneer Patterson, ik heb het echt voor die man. Hij heeft meer  adel en gevoel in zijn pink als zijn zoon in zijn hele lijf. En dat hij post achterhoudt, is zo aannemelijk, zo echt in de lijn van zijn karakter.
————————————————————————————
Intens ontroerend is het verhaal van het lot dat Martin ten deel valt. Mooier, beter, indringender kan een schrijver dat niet vertellen. Hoe kun je zonder begrip zijn voor die jonge deserteur Martin Bromley. Dat oorlog gruwelijk is, hoe konden die jongens dat weten? Arme kleine jongen, die de propaganda geloofde en mee instapte in de droom om een held te worden. Ik zie hem voor me, in zijn ‘vermomming’, en achter hem zie ik de machine draaien, zonder genade voor mensjes die de gruwel niet aankunnen en die nog maar één simpele wens hebben: geen soldaat meer zijn.

Advertenties

Post voor mevrouw Bromley (3)

Maar, kan het dat de persoon die het verhaal vertelt, zichzelf niet in vraag stelt? Natuurlijk doet hij dat, dus de vraag is eerder: waarom doet de schrijver dit, waarom laat hij John zwijgen in alle talen over zijn motieven, why does he thwart the expectations here? Er is veel voor te te zeggen, voor de zijdelingse manier waarop hij het thema moed en het gebrek eraan het verhaal binnen brengt. Ik vind het zelfs ronduit prachtig. Maar voor mij blijft het niet helemaal kunnen.
En over zo’n dingen struikel ik dus. De eerste die dit boek gelezen heeft: wat vindt u ervan: waarom kan het of waarom niet?

Wordt vervolgd.

Post voor mevrouw Bromley (2)

Het verhaal begint in Londen bij het uitbreken van Wereldoorlog I. Hoofdfiguren zijn John Patterson, zijn jeugdvriend Martin Bromley, zijn studiegenoot William Dunn, mevrouw Bromley, moeder van Martin en meneer Patterson. vader van John. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van John. Ondanks zijn vertellerspositie krijg je weinig of geen zelfreflectie van zijn kant. ‘Voor mij was het een uitgemaakte zaak dat ik me niet zou aanmelden voor het leger’, zo begint hij hoofdstuk 2. Daar moet je het even mee doen. Wanneer even later blijkt dat wie zich als vrijwilliger gemeld heeft, onmiddellijk een opleiding van 6 maanden krijgt , troost hij zichzelf met de gedachte dat tegen dan de oorlog allang voorbij zal zijn, en dat de vrijwilligers ongedeerd terug zullen kunnen komen. ‘Voor mij een reden te meer om voluit voor mijn studie te gaan’: ingenieus, de andere redenen hoeven blijkbaar niet uitgesproken te worden.
Maar in het derde hoofdstuk, waarin Martin komt vertellen dat hij zich voor de oorlog aangemeld heeft en afgewezen is omwille van zijn leeftijd, sluipt die ene, verzwegen reden, toch het verhaal binnen. De verteller keert een jaar terug: Martin lokt hem mee naar de hoeren en vraagt hem bij de deur te wachten. Als hij ontzet weigert, scheldt Martin hem uit voor een lafaard, een slappeling: ‘Je bent gewoon bang, John, altijd al geweest’.
Is John een lafaard?
Is deze vraag al zinvol op deze plaats in het boek? Ja, moed en lafheid staan onmiddellijk centraal door het gegeven van de oorlog.
Je hoeft geen oorlog meegemaakt te hebben, om jezelf punten toe te kennen op de schaal van moed. Erg confronterend vond, vind ik dit. En het zorgde ervoor dat ik mijn oordeel over moed en lafheid niet klaar hield bij het verder lezen in dit boek.
Schitterend, nog maar drie hoofdstukken ver,  en ik ben als lezer al bereid om genuanceerd te oordelen over moed en het gebrek eraan.

Wordt vervolgd