Radetzkymarsch (2), of Het echte leven (3)

Heerlijk, die (o zo) milde ironie.
Heerlijk, hoe de verteller voortdurend zijn (o zo) zacht spottende blik over zijn karakters laat dwalen.
Nog een voorbeeld.
Wanneer Onufrij een heroische poging doet om zijn meester Carl uit de schulden te helpen, is Carl weer te dom om dat in te zien. Het gebaar van zijn knecht doet hem (toch!) denken aan het stereotiep van de goede, edele officiersknecht die zo vaak voorkomt in de boekjes die hij las in het militair ziekenhuis. Hoewel hij totaal geen literaire smaak heeft, voelt hij weerzin tegen het sentimentele van die boekjes en van hun edele figuren.
De commentaar van de auteur luidt hier:
‘Er war nicht erfahren genug, der Leutnant Trotta, um zu wissen, dass es auch in der Wirklichkeit ungeschlachte Bauernburschen mit edlen Herzen gab und dass viel Wahres aus der lebendigen Welt in schlechten Büchern abgeschrieben wurde; nur eben schlecht abgeschrieben.
Er hatte überhaupt noch wenig erfahren, der Leutnant Trotta’.

Verrukkelijk.
En,  is het iemand opgevallen?
De schrijver doet hier een uitspraak over twee dingen ineens:
– Carl, je hebt niet genoeg levenservaring om in te zien dat jouw knecht één van die edele figuren is
– Carl, in boeken zit veel waarheid uit de levende wereld, ook in slechte boeken. Die overigens slecht zijn, omdat ze slecht geschreven zijn.

Kijk nu, de auteur doet hier zomaar een uitspraak over het wezen van de literatuur.
Vandaar de variante titel van dit stukje.

Advertenties

Radetzkymarsch

Eind jaren 1800, begin jaren 1900. De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie wankelt in haar vesten De spanningen binnen de grenzen van het rijk nemen toe, de roep van de volkeren naar nationalisme wordt groter. Tegen deze achtergrond leven we mee met drie generaties van de familie Trotta. De grootvader redt als jonge man het leven van de jonge keizer Franz Jozef, en verheft daarmee zijn familie in de adelstand. Een heldendaad die lange schaduwen achter zich werpt. Schaduwen die bescherming bieden, maar die ook een zware last kunnen zijn, vooral voor zijn kleinzoon. Gedesillusioneerd door de berichtgeving over zijn daad in een kinderboek, neemt de grootvader ontslag uit het leger. Zijn zoon, Franz,  verbiedt hij om voor een militaire loopbaan te kiezen. De zoon slaagt er echter wel in om in de civiele dienst te gaan. Hij brengt het heel gemakkelijk tot Bezirkshauptmann.
Franz is een sterke figuur die een ijzervast vertrouwen heeft in zijn leven in een geordende, stabiele  maatschappij.  Zelf stuurt hij zijn zoon als kind naar de militaire school, om hem voor te bereiden op een waardige militaire loopbaan. Carl is echter helemaal niet het evenbeeld van zijn vader. Hij kiest voor het leger, omdat zijn vader dat nu eenmaal wil, maar vaag voelt hij dat hij liever landbouwer zou zijn. Hij gaat in de cavalerie, hoewel hij nooit goed leert paardrijden. Dat hij toch promotie maakt heeft hij te danken aan de naam van zijn grootvader.
Hij drinkt, begint te gokken, heeft affaires met getrouwde vrouwen, en werkt zich voortdurend in nesten. Een mens zonder ruggengraat, een slappeling, staat hij -misschien- voor de neergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, maar zeker voor de decadentie binnen de legerkringen.
Het verval van de maatschappij uit zich om zo te zeggen in zijn leven. De barsten die hier optreden weerspiegelen zich echter ook in kleine, nauwelijks merkbare barstjes in de levensvisie van de vader. Dat de schrijver twee opeenvolgende generaties neerzet die zo elkaars tegenpool zijn, opent een aantal mogelijkheden. Maar het is ook gewaagd om dit te doen, want de vader is eigenlijk al een anachronisme. Het vraagt een schrijver als Joseph Roth om beide levenslijnen tegelijk waarschijnlijk, en waarachtig te houden. Hij is dan ook een meester in het neerzetten van karakters, en in het creëren van sfeer. Als je de vader volgt, deel je met hem het geloof in een sterke samenleving, in de waarde van een vaste orde, en in de onveranderlijkheid van deze orde. Als je met de zoon meegaat, zie je niets dan doelloosheid, futiliteit, verveling, decadentie.

Radetzkymarsch is een van melancholie doordrongen boek.
Benno Barnard noemt het lezen van dit boek een droevig genot. Ik ben het dit keer met hem eens.
Maar het boek zit ook vol humor.
Twee passages om dat te laten zien.

De vader komt iedere week samen met dokter Skowronnek om te schaken. Dit keer vertelt hij hem dat zijn zoon weg wil uit het leger. De dokter troost hem en zegt dat de zoon misschien beter geschikt is voor een ander beroep. Welk ander beroep wil de vader weten.
“Was für einen Beruf, Herr Doktor?”
“Er konnte”, meinte Doktor Skowronnek, “vielleicht bei der Eisenbahn unterkommen!”
De Bezirkshauptmann sah im nähsten augenblick seinen Sohn in der Uniform eines Schaffners, eine Zange zum Knipsen der Fahrkarten in der Hand. Das Wort “Unterkommen” jagte einen Schauer durch sein altes Herz. Er fror.
“So, meinen Sie?”
“Sonst weiss ich nichts!” sagte Doktor Skowronnek.

Anders kan ik niets bedenken…

De keizer kan niet slapen, en hij gaat voor het open raam naar buiten staan kijken.
Man schloss die Fenster in seinem Schlafzimmer. In der Nacht, er konnte nicht schlafen, rings um ihn aber schlief alles, was ihn zu bewachen hatte, stieg der Kaiser im langen, gefalteten Nachthemd aus dem Bett und sachte, sachte, um keinen zu wecken, klinkte er die hohen, schmalen Fensterflügel auf. Er blieb eine Weile stehen, den kühlen Atem der herbstlichen Nacht atmete er, und die Sterne sah er am tiefblauen Himmel und die rötlichen Lagerfeuer der Soldaten. Er hatte einmal ein Buch über sich selbst gelesen, in dem der Satz stand: “Franz Joseph der Erste ist kein Romantiker.” Sie schreiben über mich, dachte der alte Mann, ich sei kein Romantiker. Aber ich liebe die Lagefeuer.

Wordt vervolgd.