Lachen met boeken

Ooit ben ik begonnen met in een schrift komische fragmenten uit boeken neer te pennen.
’t Heeft niet lang geduurd. Ik heb voor zoiets niet de lange adem, en bovendien werkt het ook niet.
Waarschijnlijk moeten ze je verrassen, de dingen die je in een lach doen schieten. Daarom kun je voor dit doel ook niet terugvallen op bloemlezingen (heb ik wel geprobeerd).
Of misschien moet je toch gewoon doorgaan ermee, met het oppotten van die stukjes, en ze verder laten liggen. Misschien blijken ze pas weer te werken als je er het stof vanaf moet blazen.

Vandaag wou ik in ieder geval dat ik had volgehouden.
Voor dagen zoals deze, nu er weer sneeuw ligt, iets waar ik absoluut geen zin in heb!.

Advertenties

De echte wereld (2)

In haar essay ‘Echter dan werkelijk/Over ‘fictie’ in de literatuur’ (*) buigt ook Patricia de Martelaere zich over de (vermeende?) tegenstelling fictie – realiteit.
In dit essay keert zij zich tegen de filosofie, of toch een beetje.
De filosofie heeft het moeilijk met fictie in de literatuur, stelt ze.
Zij – de filosofie –  worstelt in de eerste plaats met het waarheidsgehalte van de fictie. Dat komt omdat ze niet kan afstappen van haar gewoonte om waarheid als referentie en correspondentie op te vatten.
Dit probleem met het waarheidsgehalte van fictie is een probleem dat betrekking heeft op het ‘locutionaire’ aspect van de taal, stelt PDM. Dit locutionaire aspect is een van de drie kernbegrippen uit de taaltheorie van John Langshaw. De schrijfster gebruikt deze theorie om duidelijk te maken waar het schoentje wringt tussen filosofie en fictie. Het illocutionaire aspect van een taalact dan is de houding van de spreker tegenover wat hij zegt. Kan een fictieschrijver echte beweringen doen, echte oordelen vellen over iets dat geen bestaande referenten heeft? Dit is een heel moeilijke vraag voor de filosofie. Aannemen dat dat wel kan, brengt andere filosofische theorieën in gevaar. Daarom zoekt de filosofie het antwoord dan maar achter een bocht : fictie schrijven is een apart soort illocutionaire act. Het is als het ware een doen alsof.
De fictielezer brengt ons tot een volgende aspect van Langshaws theorie, nl. het perlocutionaire aspect. Dit is wat de uiting van een taalact teweegbrengt. Welnu, net zoals de schrijver doet alsof, pretendeert volgens de filosofie ook de fictielezer enkel alsof hij de schrijver gelooft. Volgens de filosofie zou er dus sprake zijn van een principiële onbetrokkenheid tussen lezer en gelezen fictie. Bullshit, zegt de schrijfster. Net tot fictionele kunstwerken is onze betrokkenheid het grootst. En omgekeerd legt een lezer maar een partieel engagement aan de dag tegenover gelezen realiteit, bv. tot zijn krant. Dat doet hij uit een gezonde reflex om zichzelf te beschermen. En dat de schrijver alleen maar beweringen zou nabootsen, is volgens de schrijfster al even grote onzin. Tijdens het schrijven is de schrijver niet zozeer iets aan het beweren, hij is iets aan het maken, een kunstwerk. En dat op dezelfde manier als een componist die componeert een kunstwerk maakt, of een schilder die een schilderij maakt.
En nu, lezers, wordt het volgens mij echt interessant. Het probleem met de waarheidswaarde dat de filosofie heeft, zegt PDM, veronderstelt een scheiding tussen vorm en inhoud, die eigen is aan het normale taalgebruik, maar die vreemd is aan het literaire taalgebruik (yes!). In literair taalgebruik kunnen vorm en inhoud niet langer van elkaar gescheiden worden, ze vormen een alchemistische symbiose. Echte literatuur wordt gekarakteriseerd door een onherhaalbare verbinding tussen vorm en inhoud.

Maar er is nog iets. Volgens de schrijfster is er een ‘onmiskenbaar en moeilijk te lokaliseren effect van surrealiteit dat het lezen van elk literair werk begeleidt’. Dat effect blijkt er ook te zijn bij het lezen van literaire werken die inhoudelijk ‘geheel waar’ zijn. De wereld van de literatuur, besluit de schrijfster is een soort ‘sur-realiteit’, waarin waarheid wordt gecreëerd door de voorstelling zelf, en niet door een ‘surrogaatpresentatie van imaginaire referenten’.

 ———————————————————————————————————-

De verhouding die Patricia de Martelaere hier aan de kaak stelt, is die van de filosofie tegenover fictie in de literatuur. Maar ik denk dat we zonder probleem kunnen stellen dat het precies dezelfde verhouding is die we in het dagdagelijkse leven merken tussen niet-lezers en fictie, of literatuur. Zonder het bewustzijn ervan, en zonder argumenten.

Als iemand die geniet van een literair fictiewerk, iemand is die geniet van de vorm- en inhoudverbinding, die van dat fictiewerk een literair kunstwerk maakt, dan kunnen we omgekeerd stellen, dat iemand die niet kan genieten van een literair fictiewerk, iemand is die geen gevoel heeft voor die vorm-inhoudverbinding. In modieus taalgebruik zouden we zeggen dat zo iemand niet het gen heeft dat van literatuur doet genieten.
Het taalgebruik als kunstvorm, prijs jezelf gelukkig als je daar gevoel voor hebt.

In tegenstelling tot de schrijfster vind ik het wel belangrijk dat je de term realiteit niet uitsluit in de discussie over fictie in de literatuur. Schrijvers en lezers zijn mensen. We maken deel uit van en beleven dezelfde wereld als de niet-schrijvers en de niet-lezers. Met het schrijven en met het lezen gaan we niet de irrealiteit in, toch niet in het overgrote deel van de literatuur. Het woord ‘surrealiteit’ dat PDM gebruikt, krijgt hier dan een tweede betekenis. Bovenwerkelijkheid zou je het ook kunnen noemen. Als lezer zweef je net even boven de werkelijkheid uit. Je ziet een werkelijkheid die veel rijker, veel breedser en veel mundialer is dan je vanuit je ene positie middenin dat echte leven te beleven krijgt.
Alsof je een ballonvaart maakt over het leven.

(*) Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood. Patricia de Martelaere, Meulenhoff, 2009, p. 137-148