De katten van Doris lessing

Doris Lessing is een schrijfster naar mijn hart.
Ze is ook een mens naar mijn hart.
Dat is al lange tijd zo, maar sedert kort nog veel meer. Bekijk haar reactie op het nieuws dat ze de Nobelprijs literatuur gewonnen heeft op YouTube. Verrukkelijk toch.
En op de Boekenbeurs kocht ik van haar hand ‘In ’t bijzonder katten’ (*).
Doris Lessing lees je niet voor de taal, de stijl, het literaire van haar boeken. Niet dat ze niet goed schrijft, ze schrijft heel goed. Maar Doris Lessing lees je om haar thematiek. Ze is een denker, en haar inzichten vertelt ze in romans, kortverhalen, interviews, essays, etc. En die hebben een bijna verblindende reikwijdte.
Vrouwen zijn de hoofdpersonages in een groot deel van haar romans, die dan ook sterk autobiografisch zijn. Ze is een feministisch schrijfster die zich nooit tot de rangen van de feministen heeft willen bekennen.

Het is niet mijn bedoeling om hier een overzicht te geven van het werk van Doris Lessing. Sommige van haar werken las ik meer dan twintig jaar geleden. Van sommige weet ik niet meer of ik ze gelezen heb.
Maar ik geef u wel mee wat ik vrij recent van haar las: The fifth child en het vervolg: Ben in the world.
Ze illustreren nog eens haar enorme interessebereik.
The fifth Child en Ben in the world gaan over een changeling, een wisselkind. Het vijfde kind van een kinderlievend echtpaar blijkt een wisselkind te zijn, een vreemde eend in de bijt, een kind dat zich niet thuisvoelt in het gezin waarin het geboren is, en ook niet in de wereld. D.L. beschrijft met een ijzingwekkend aanvoelen de getormenteerde figuur van Ben, zijn moeilijke relatie tot de wereld, zijn eenzaamheid, zijn herkenning van een soortgenote in een rotstekening, zijn verlangen, en zijn onvermijdelijk einde.
In een bespreking las ik dat dit werk ging over goed en kwaad. Ik denk het niet. DL vraagt zich af wat het zou betekenen als je bij je geboorte in de verkeerde wereld terecht zou komen, of beter in de verkeerde tijd. Wat als je niets herkent, geen enkel aanknopingspunt vindt, geen enkel raakvlak hebt met de andere wereldbewoners, en je alleen staande kunt houden door hen te imiteren? M.a.w. als nature het absolute overwicht heeft, en nurture je enkel in staat stelt om na te bootsen. Het nergens toe behoren, absolute verbanning, immens verlangen dat nooit vervuld kan worden.

Wie een goede biografie van DL wil lezen, leest best haar autobiografie:
Under my skin (1ste deel) (1996) en Walking in the shade (2de deel) (1997). Een derde deel zou volgen, maar haar meest recente boek Alfred and Emily, een boek over haar ouders, zou de schrijfster als haar laatste hebben aangekondigd.

Terug naar ‘In ’t bijzonder katten’. Want om dit boekje wil ik DL wel aan mijn hart drukken.
Lezer, u moet van katten houden om dit boekje te lezen. Als u schrik heeft van katten, of er gewoon niet van houdt, zal u zich rot ergeren.
Ik heb er mateloos van genoten.
Voor Doris Lessing is het katten houden iets vanzelfsprekends. Ze groeide op in een boerderij in Rhodesië. Katten waren altijd in de buurt, want ze moesten de muizenpopulatie klein houden. Het hele gezin Mayer hield van die katten. Een keer slagen ze erin om een kat met een nest jongen in een door het regenseizoen ingestorte mijnschacht van de dood te redden. Dat haal ik aan omdat u het met mij nobel zou vinden van hen, maar ook omdat het wijst op de aandacht die er was voor katten, de bezorgdheid om hun welzijn. Hoe anders hadden ze de boodschap van een graatmagere verwilderde kat die om hulp komt op hun boerderij kunnen verstaan?
DL leerde de kattentaal op de boerderij van haar ouders in Rhodesië.

In haar boek ‘In het bijzonder katten’ maakt ze er geen punt van: haar katten slapen bij haar op bed, tegen haar hoofd, aan haar voeten, in de holte van haar knieën. Ze wekken haar door met een pootje tegen haar gezicht te slaan, door snel een paar keer na elkaar over haar heen te lopen op het bed, of door vlak voor haar neus luidop te gaan zitten spinnen. DL staat dan voor hen op, om ze buiten te laten, of eten te geven. Ze legt zich neer bij de kieskeurigheid van sommige katten wat eten betreft. Een van haar katten eet alleen gebakken wijting en konijn. Haar katten brengen zoals katten nu eenmaal doen, dode muizen mee naar binnen voor hun baasje. Waarop Doris afkeer voelt, niet omwille van die vuile dode dieren in haar huis, maar omdat ze die beestjes dooddoen. Ze houdt er niet van om katten te laten steriliseren. Dus staat ze haar katten iedere keer opnieuw bij bij ieder nest, en gaat ze iedere keer weer opnieuw op zoek naar een goeie thuis voor de jongen.
In dit boekje herken ik de eindeloze interesse van DL in de wereld om haar heen. Ze observeert, analyseert, interpreteert de kattenwereld zoals ze dat met ieder ander fenomeen doet.

Ik ben dol op onze vier katten en op katten in het algemeen. En mijn hart gaat uit naar deze vrouw die vanuit haar liefde voor katten er met de grootste vanzelfsprekendheid een boek aan wijdt.
Zelf begrijp ik katten ook beter nu ik dit boekje gelezen heb.
En ik ben van mening veranderd. Ook al houdt u niet van katten, lees dit boekje. Ik ben er zeker van dat u de kat van de buren met andere ogen gaat bekijken. Want nu weet u wat haar drijft.

(*) In ’t bijzonder katten, Doris Lessing, Prometheus A’dam, 2008, 128 p., ill.

Advertenties

Boekenbeurzen

De Antwerpse boekenbeurs, ik ga er de laatste jaren met gemengde gevoelens naartoe.
Het is zo véél, het is té veel.

Ik heb een beetje heimwee naar de boekenbeurs die het Davidsfonds jaarlijks in onze gemeente hield. Die was nog overzichtelijk, en vol sfeer. In een zaal met plankenvloeren, zodat alle stappen zwaar doorklonken, en met boeken die een boekengeur hadden. Er werd niet geroepen, zelfs niet luidop gesproken, men fluisterde er. Ik ging er het liefst alleen naar toe.

Op het podium – het was een polyvalente zaal avant la lettre – heb ik er eens een Divina Commedia op de kop getikt. Ik heb ze nóg, de drie deeltjes, in een klein formaat, met een groen kaftje, en in het Italiaans! Ik stond ze in te kijken toen een iets oudere jongen op mij afkwam en vroeg of ik ze echt zou kopen, hij wou ze eigenlijk ook. Natuurlijk twijfelde ik toen niet meer.

De boekenbeurs in Antwerpen was sinds enkele jaren voor mij een opgave geworden. De treinreis en de drukte neem ik er nog graag bij. Maar het is alsof je iemand die van zwemmen houdt, in een groot meer zou droppen. De zwemmer zou er onbelemmerd in kunnen zwemmen, maar zolang hij geen oevers zou zien, zou hij daar vast niet erg van genieten.
Zie je, ik verdrink er zowat in al die boeken.
Ik zit er ook niet op te wachten: boeken zijn een vast element in mijn leven. Ik ben er constant mee bezig, er is nooit een tekort aan boeken.
En iedere bezoeker van de boekenbeurs kent het fenomeen: een uur of vier, vijf in dat Antwerpse Bouwcentrum kunnen je hondsmoe maken, maar ze volstaan nooit om je het gevoel te geven dat je weer mee bent, dat je een overzicht hebt.
Maar misschien is dat probleem zichzelf gaandeweg aan het elimineren. De laatste paar jaren ben ik me als vanzelf gaan toespitsen op boeken waarvoor ik anders geen tijd maak. Ik ga er zeker niet meer om er de met veel tamtam aangekondigde titels te gaan inkijken, niet om bekende signerende auteurs te zien, en alleszins niet langer in de hoop er een overzicht te krijgen van de Nederlandstalige literaire productie van het laatste jaar… . Als ik afga op wat mijn vangst is van verleden jaar, een leesbaar boek over wiskunde, een boek met foto’s van buitengewone bomen, een kleurrijk werkje over elfen, een van die prachtige prentenboeken voor kinderen, dan ga ik niet langer voor de literatuur. Dat is misschien de oplossing.
Als ik nu onderweg ben naar huis, zit ik als vanouds bijna te snorren van contentement over mijn aankopen. En daarvoor blijf ik dus gaan.

Het echte leven

‘Dat is toch niet het echte leven’.
Het is een opmerking waartegen ik me vaak weerloos voel.
Het gaat hier over lezen, meer bepaald literatuur lezen (let wel, als het gaat om een roman gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, kan dat lezen soms nog met goedkeuring gaan lopen).
De weerloosheid komt voort uit de omstandigheid dat de mensen die dat voor je voeten werpen eigenlijk geen antwoord verwachten. Het gaat meer om het neersabelen, met zo’n vloeiende en definitieve beweging als waarmee Zorro dat kan: voila, dit hebben we ook weer uit de weg geruimd.
Escapisme, de term van wie het wat gesofisticeerder wil zeggen. Je loopt weg van het echte leven, want je duikt onder in een … ja wat, een onecht leven dus.

In Knack extra las ik verleden week een gesprek met Christophe Vekeman en Yves Petry (*). Als uitgangspunt stelde de interviewer, Tom Van Imschoot, dat het maatschappelijk aanzien van literatuur sterk gedaald is. Dat verklaart volgens hem waarom de roep naar maatschappelijke betrokkenheid in de literatuur groter wordt. Of dat voor hen een optie was?
Ik haal dit interview aan omdat het een beetje in dezelfde richting zit, nl. literatuur kan enkel nog legitiem zijn als ze nuttig wordt, en dat kan ze door bv. maatschappelijke problemen te behandelen.
Beide schrijvers zeggen hierover heel zinnige dingen. Ik meen het, lang geleden dat ik in een populair blad nog zo’n goed literair interview heb gelezen.
Of het voor hen een optie was? Nee, vindt Vekeman, hij heeft het niet zo voor dat rechtstreekse verband. Wel voor het indirecte: ‘Want net in dat indirecte schuilt de kracht van kunst en literatuur, zowel bij het schrijven als bij het lezen. Het is een nobele vorm van escapisme. Het laat je toe om buiten het alledaagse leven te stappen op een manier die, als het goed is, toch weer verbanden legt met je eigen, hoogstpersoonlijke realiteit. Door de vlucht uit de werkelijkheid leer je ze beter kennen. Door uit jezelf te treden kom je jezelf tegen. In die zin gaat het er mij als schrijver om juist naast de maatschappij te gaan staan. Ik ben geïnteresseerd in de realiteit van het leven en daarvoor heb ik het indirecte van fictie nodig.’
Wel, ik als lezer kan het niet beter of mooier zeggen.
Het kan wel nog ánders gezegd worden, het wordt trouwens door schrijvers constant opnieuw geformuleerd. Maar dat is voor een andere keer.

(*) Christophe Vekeman en Yves Petry. Halt, hier zijn te zien: de laatste individuen!, interview door Tom Van Imschoot, in Knack extra, jrg. 2009, nr. 09, p. 17-19