Abdelkader Benali

Donderdag werd in De paarse zetel in de bibliotheek van Gent Abdelkader Benali geïnterviewd.
Genoemde is een heel mooie man. Dat maakt het drie kwartier stilzitten en luisteren over de middag er voor een deel van het publiek in ieder geval niet lastiger op. Hij heeft ook een mooie stem. Blijkt dan dat hij aan hardlopen doet. Fijn, dan deel ik met hem de liefde voor het lopen. In dit verband maakte hij trouwens een interessante vergelijking.

Hij vergeleek hardlopen met schrijven. Ze zijn wat de tijdsbeleving betreft elkaars opponenten, vindt hij. Als je voor een scherm, of voor een wit blad zit om te schrijven, vliegt de tijd, is zijn ervaring. Maar als je loopt, gaat de tijd kruipen. Hoe harder je loopt, hoe trager de seconden voorbijtikken. Schrijven en hardlopen vullen voor hem elkaar dus heel goed aan.

Abdelkader Benali was blijkbaar op toer geweest om het met mensen over de leeservaringen in hun jeugd te hebben  (*). Mensen weten zich de omstandigheden waarin ze als kind een bepaald boek lazen, maar vooral ook de gevoelens die ze bij het lezen van dat boek hadden, ontzettend goed te herinneren.
Klopt, ik denk aan ‘De verdwenen postzegel’. Of aan ‘Een vreemdeling klopte aan (**). Of aan ‘Scharmanteka’. Of aan … .

(*) De Nederlandse kinderliteratuur in 100 en enige verhalen samengesteld door Abdelkader Benali, Prometheus, 2009

————————–

Vrijdag las ik op de trein de laatste bladzijden van ‘Leven en werk van Marcel Van Acker’ van Patrick Conrad. Misschien schrijf ik daar volgende week iets over.
Ik ben nog geen ander boek begonnen. Maar ik geniet al bij voorbaat van dat ander boek, van het erin duiken en me laten meeslepen. Van het ontzettend veel aan de weet te komen. Van de taal, de beelden… . Ben benieuwd wat het wordt.

Advertenties

Never let me go

Anderhalf jaar geleden las ik ‘Never let me go’ van Kazuo Ishiguro.
Sedertdien is het boek mij met taaie tentakels naar zich toe blijven trekken.

Nu ja, dat een boek blijft nazinderen, is dat niet wat u en ik van een ‘goed’ boek verwachten?
Maar dit was anders, want ik kon maar niet de vinger leggen op wat het nu precies was in ‘Never let me go’ dat me niet los liet, of beter gezegd misschien, op hoe de auteur dit effect bereikte.

Het gegeven : in een soort gesloten kostschoolgemeenschap worden menselijke klonen grootgebracht en opgeleid tot wat hun uiteindelijke taak is : het afstaan van hun organen tot ze er erbij sterven. Hailsham, zo heet de instelling, is een experiment, een try-out waar geprobeerd wordt om menselijke klonen een menswaardig leven te laten leiden. Het is een groot voorrecht om deel uit te maken van Hailsham, want meestal wordt in klonen niet teveel geïnvesteerd : als ze maar gezonde organen leveren op het moment dat die nodig zijn.

Het gegeven op zich is al zo tragisch dat ik het boek toen ik het de eerste keer in handen kreeg maar gauw teruglegde. Ik heb het niet zo voor boeken met een boodschap.
En zeker niet als die zo beladen is.

Een tweede keer zette ik alles in op het schrijftalent van Mister Ishiguro, en terecht.

Het verhaal wordt verteld door Kathy H., die terugblikt op haar leven op het moment dat voor haar de tijd gekomen is om donor te worden. In haar verhaal komt ze naar voor als een intelligente, evenwichtige en trouwe jonge vrouw. Geen gejammer, geen zelfbeklag, geen opstandigheid, bij geen van haar lotgenoten trouwens. Kathy H. focust zich in haar terugblik vooral op het opvoedkundig aspect van hun kloon-zijn : hoe en wanneer zijn wij ingelicht over ons anders-zijn, ons voorbestemd zijn. Hoe heeft de instelling Hailsham dat aangepakt, en hoe werkte dat bij ons. Daarnaast is haar verhaal ook voor een stuk dat van een kind dat opgroeit met alles wat daarbij komt te kijken, vriendschappen vooral, ruzies, pesten, de houding van de leerkrachten, seks etc. Door haar meeslepende verteltrant vergeet je soms dat ze het over een klonengemeenschap heeft, en niet over een of andere willekeurige kostschool.

Toch legt ze nu en dan een ijskoude hand om je hart.
Het procédé dat de auteur hiervoor gebruikt is heel vernuftig.

Twee scènes om dit te illustreren:

Eerste scène: de kinderen zien Madame arriveren in haar wagen en spreken af om haar in groep te benaderen, om haar reactie te bestuderen. ‘And I can still see it now, the shudder she seemed to be suppressing, the real dread that one of us would accidentally brush against her’. De bedenking die Kathy later bij zichzelf hierover maakt: ‘The first time you glimpse yourself through the eyes of a person like that, it’s a cold moment’.

Tweede scene: Kathy is alleen in een klaslokaal, en ze speelt een cassetje met haar favoriete song. Ze zingt mee in haar eentje, met een kussen in haar armen: baby, baby, never let me go. Na een tijdje merkt ze dat iemand naar haar kijkt, Madame, en dat die staat te wenen.
Wanneer ze het daarna over het gebeuren heeft met een vriend, Tommy, delen ze met elkaar hun verwondering over het feit dat Madame blijkbaar begrepen had dat ze het had over een echte baby, en niet over een liefje. ‘Hoe kan zij dat begrepen hebben, Tommy, hoe kan ze begrepen hebben dat het kussen dat ik in mijn armen hield een baby moest voorstellen? Dat bestond toch alleen in mijn hoofd’. En ze besluiten dat Madame hoogstwaarschijnlijk helderziende is, iets wat hen doet huiveren.

Hierin zit het em, denk ik : de vertelster schuift af en toe, geheel onverwacht, een lens tussen haar blik en de buitenwereld. Met die lens probeert zij zich de blik van de buitenstaanders in hun gemeenschap eigen te maken.
En dat werkt, in het kwadraat. Want die buitenstaanders, dat zijn wij. Wij, lezers, niet-klonen, mensen uit de buitenwereld, krijgen via ‘Madame’ onze eigen gevoelens in de strot geduwd. Alsof ze door een lens weerkaatst, en tienvoudig versterkt worden.

Dat maakt bepaalde scènes in het verhaal voor mij zo verschrikkelijk aangrijpend.

Dat, en dat niet alleen. Later hierover meer.