Over een postzegel die verdween en een boek dat bleef

“Kijk jij nog eens, zei Marika tegen Sara. Kijk jij nog eens heel goed. Wij hebben ons vast vergist, want het kan niet waar zijn.
Nee, kijk zelf, zei Sara tegen Marika. Ze fluisterde van opwinding.
Met zijn tweetjes zaten ze aan de keukentafel.”
Toen ik het boekje met deze beginregels (*) een tiental jaren geleden bij de boekenverkoop van een bibliotheek opensloeg, zat ik er op slag weer in, in dit verhaal van een postzegel die een tijdje het wel en wee van een gezin in Denemarken bepaalt.
Hoe het precies afloopt, herinnerde ik me niet meer, maar ik voelde weer haarscherp de spanning en de bevreemding waarmee ik als kind dit boek las. Details ook : de koekoekjes die Sara maakt om wat bij te verdienen, Uffe, die een brief wil sturen naar zijn moeder die in de kraamkliniek ligt. Het was er allemaal, in minder dan een seconde, alsof er niet zoveel jaren tussenstonden.

Ik geloof niet dat je als volwassene nog die absolute verzonkenheid in een boek kunt bereiken die bij een lezend kind als vanzelf komt. Wat niet betekent dat er voor volwassenen geen plaats meer zou zijn voor grote leeservaringen. Die is er natuurlijk wel. Veel grote leeservaringen, want de wereldliteratuur is een pot die genoeg verschaft. Al kun je je ook daar bij tijd en wijle zorgen over maken, getuige F. Lentrichea in Testament van een ex-literatuurcriticus : “Ik beken dat ik nooit genoeg heb kunnen krijgen van échte literatuur. Ik pieker er doorlopend over dat mijn reservevoorraad op zal raken, en dat ik de laatste jaren van mijn leven in somberheid door zal moeten brengen nadat ik alle grote, ontsluierende boeken verslonden heb”.
Wel, af en toe deel ik deze bezorgdheid met hem. Bij mij zit bijkomend de vrees voor fysieke kwalen hierachter. Als ik oud ben en tijd genoeg heb, zullen mijn ogen het nog doen? Zal ik nog naar de bibliotheek kunnen gaan? En zal het aanbod daar wel groot genoeg zijn? Of als het allemaal digitaal zou zijn, zal ik dan de vaardigheden om aan de teksten te geraken nog beheersen?
Luxeproblemen? In het geheel niet, leven zonder boeken is voor mij als leven zonder brood.
En voor u?

(*) De verdwenen postzegel, Viola Wahlstedt, Meulenhoff A’dam, 1962

Advertenties

Beeldspraak

In ‘Brief aan zijn vader’ analyseert Franz Kafka zijn zeer complexe verhouding tot zijn vader.
Hij gebruikt hierin twee van de mooiste metaforen die ik ooit gehoord of gelezen heb.
Een zeer problematische vader-zoon-relatie in beelden gevat:

Over zijn schrijven:
‘U trof zekerder doel met uw afkeer van mijn schrijven en van alles wat, aan u onbekend, daarmee samenhing. Hier had ik mij inderdaad zelfstandig een stuk van u verwijderd, hoewel het ook enigszins aan de worm doet denken, die, van achteren door een voet verpletterd, zich met zijn voorste deel losrukt en zich weg sleept.’

Over zijn beide huwelijksplannen, waarbij het telkens bij plannen bleef, :
‘Soms stel ik mij de wereldkaart vlak uitgespreid voor en u er dwars overheen uitgestrekt. En dan krijg ik het gevoel alsof voor mijn leven alleen die streken in aanmerking zouden komen die u óf niet bedekt óf die buiten uw bereik liggen. En dat zijn in overeenstemming met de voorstelling die ik van uw grootte heb niet veel en geen aanlokkelijke streken en juist het huwelijk is er niet bij.’

Lezers, lees dit boek.
In de uitgave van Querido van 1983 slechts 55 kleine bladzijden.
Een kleinood dus.

Bibliotheken en bibliothecari/e/ssen in de literatuur

In afwachting van een bericht over ‘Never let me go’ van Kazuo Ishiguro, krijgt u van mij een citaat in wat in het vervolg een rubriek zal vormen met de titel ‘Bibliotheken en bibliothecari/e/ssen in de literatuur.

p. 233 in ‘Het spel van de engel’ van Carloz Ruiz Zafón, uitg. Signatuur, 2009 :

‘Na twee dagen had ik al vriendschap gesloten met Eulalia, de hoofdbibliothecaresse, die uit de papiervloed onder haar hoede teksten en boeken voor me selecteerde en soms een bezoekje bracht aan mijn tafel in de hoek om te vragen of ik verder nog iets nodig had. Ze was ongeveer van mijn leeftijd en bezat esprit in overvloed, die ze gewoonlijk uitte in enigszins venijnige stekeligheden.
‘U bent veel heiligenlevens aan het lezen, mijnheer. Heeft u besloten om nu, op de drempel van de rijpste volwassenheid, koorknaap te worden?’
‘Het is slechts onderzoek.’
‘Ah, dat zeggen ze allemaal.’
De humor en pit van de bibliothecaresse waren een onbetaalbaar balsem, waardoor ik de gortdroge teksten kon overleven en mijn onderzoekspelgrimage kon voortzetten.’

Kijk, dat doet ons, bibliothecaressen, nu plezier, dat we voor de verandering eens niet geportretteerd worden als verzuurde oude vrijsters, maar als vrouwen met ‘esprit’. En wie meent hier bij Zafón het gebruik van ironie te moeten ontwaren, die leze verder op p. 234.
Dit is een stap vooruit ten opzichte van de waardering waarmee onze beroepsgroep, en zeker de vrouwelijke beoefenaars van dit beroep, het door de band moet stellen.

Boeken met lintjes

Boeken met een zacht zijden lintje om de pagina aan te geven waar je gebleven bent, ik hou er zo van.
Vaak gebruik ik een stukje papier om tussen de bladzijden te stoppen. Nee, geen bladwijzers, hoewel ik dat soms probeer. Maar keer op keer stop ik die bladwijzer dan zorgvuldig weg ergens achteraan in het boek, en denk ik er niet meer aan als ik het dichtklap. En binnen de kortste tijd nestelt er zich dan een vodje papier in het boek, ter vervanging. Zeldzaam echter zijn de vodjes die met mij het einde van een boek bereiken. Ze raken zoek, of ze zijn zo onooglijk dat ik vergeet waarvoor ze dienen.
Bladwijzers vind ik prachtig, en ik neem er overal mee waar ik kan. Maar ze zijn te mooi om te gebruiken. Probeer maar eens een bladwijzer ongehavend door een boek te leiden. Soms ook doe ik een beroep op mijn geheugen en probeer ik te onthouden waar ik gekomen ben. Maar een automatische, afwezige blik op de pagina-aanduiding voor je een boek dichtslaat is niet de goede manier.
Lintjes dus, van die zijdezachte, rode lintjes. Ze doen precies waarvoor ze dienen, ze raken niet zoek, en ze zijn zo zacht en glad.
Ik reken uit dat het lintje in ‘Het spel van de engel’ van Carloz Ruiz Zafon mij tientallen minuten van terugzoeken zal hebben uitgespaard als ik het uitheb. Een kostbaar lintje dus.