Wordt vervolgd

Een hufterig ontslag : dagboek

Ik word wakker en onmiddellijk slaat het in mijn gezicht: ontslagen, niet meer gaan werken…
Dit kan toch niet. Ik ben 57. Ik was GOED in mijn job.
Is dit realiteit?
Het moet tegen vijf uur zijn, er is al licht buiten. Ik heb genoeg liggen woelen, ik moet eruit. Loop voorbij de spiegel in de badkamer, wil mijn gezicht niet zien. Het is het gezicht van een vrouw die haar ontslag kreeg.

Ik zet koffie, ongewoon voor mij, want doorgaans doet K. dat. Wen er maar aan, spreek ik mezelf toe. Niets wordt ooit nog als vroeger. Overdadig fluitende vogels. Zoals toen we buitenkwamen uit het rusthuis, mijn zus en ik, die nacht dat mama gestorven was.

Hoe kunnen ze? Hebben zij geen schaamte? Nee, zou mijn broer beamen, er is geen schaamte meer. De tijdsgeest, juist, wel, die heeft me daar een klap gegeven, ik weet niet waar ik stond, waar ik sta.

Aan de telefoon met de directeur maak ik de hele resem gemoedstemmingen door die ik in dit geval kan doormaken. Ik heb het over het omzetten van dit ontslag in een humoristisch boek. ‘Ah, zegt hij met een lach in zijn stem, “dan ging ik naar boekenwinkel en kocht het met plezier”. Ach god, hij denkt dat hij erom zou kunnen lachen, de sukkel. Nee, want onderweg rees ik voor hem op uit de grond, in het zwart gekleed, woest schuddend met mijn lange blonde haar, mijn groene ogen flikkerend van wraakzucht. Zzz, zzz, zzz dit is mijn zwaard over zijn borstkas: de Z van Zorro. Het bloed spoot eruit. De man aan de andere kant vermoedt niets, hij is duidelijk in zijn nopjes. Hier is hij goed in, hier ligt zijn sterke plek, mensen ontslaan.

Advertenties

Boontje

Dit is een oud bericht dat zijn status van ‘concept’ behouden had. Ik geef het hierbij vrij.

Zelfs in dit Boonjaar was ik niet geneigd om een stukje te schrijven over Louis Paul Boon. Ik erken in hem een echte schrijver en ik heb de meest bekende van zijn werken gelezen. Destijds, nu laat ik hem liggen. Maar in het recentste nummer van het tijdschrift nY, nr. 13, is de rubriek ‘De kwestie’ aan hem gewijd. In ‘Boonqoui’ hebben vier auteurs het over Boon en zijn werk, bewonderend, analyserend, relativerend …
Ik kan mezelf het best vinden in de J.Z. Herrenberg.
Als Herrenberg schrijft:’ … tussen Boon en mij botert het niet. We zijn incompatibel, niet congeniaal’, dan vat hij daarmee de essentie van mijn verhouding tot L.B. Boon.

Gods eigen muziek

Van Yves Petry – Mijn leven als foetus en De zorgen van een schrijver- naar Yves Petry: het werd tijd om zijn beschouwingen te ruilen voor zijn eigenlijke werk.petrygods In de Zondvloed kocht ik, een beetje voor de titel, ‘Gods eigen muziek.
Waarover het gaat: Rijker West, assistent-bioloog aan de universiteit, krijgt op een dag een ‘openbaring’: de liefde is een god en je moet zo liefhebben dat je een heilige wordt voor die god. Rijker reageert op de manier die voor hem voor de hand ligt, hij neemt ontslag bij de universiteit waar hij als bioloog werkt. Waarvoor hij natuurlijk geen begrip krijgt, netzomin als voor de boodschap zelf die hij wil uitbrengen. Niet bij de professor aan wie hij zijn ontslag telefonisch wil melden, niet bij de arbeidsconsulente bij wie hij terechtkomt als zijn uitkering dreigt stopgezet te worden, niet bij zijn broeder in de dronkenschap, niet bij zijn collega Annie of bij zijn pornovriendje Rits.

Enkele overpeinzingen:

In ‘Gods eigen muziek’ geeft de verteller zijn verhaal voor wat het is. Zo ondergraaft hij al onmiddellijk de theorie van een openbaring door de volgende zin: ‘Toen overkwam Rijker iets dat sommige mensen zouden omschrijven als een lokale, krachtige en ongerichte uitbarsting van neuronale activiteit in de rechtertemporaalkwab met hyperstimulatie van de amygdala tot gevolg.’ M.a.w. de verteller wijst er maar even op dat het helemaal geen openbaring hoeft te zijn, het is misschien gewoon een uitbarsting van neuronale activiteit. Geen spoor van enig engagement aangaande de inhoud van zijn verhaal dus, in plaats daarvan een ironische voetnoot.

Het is natuurlijk de vraag of dit verhaal zonder ironie kan. Een verhaal vertellen over een romantisch fenomeen als de absolute, -goddelijke? – liefde, het is ook niet niets. Een beetje relativering kan helpen als je de lezer wil meekrijgen. Geloof wat je wil, is hier dus de boodschap voor de lezer. En dat gaat meteen op voor het gegeven van een openbaring, waarmee het boek begint, en voor de inhoud van die openbaring, die het onderwerp van het boek zal vormen, ‘de absolute liefde’. Als de verteller al enig engagement vertoont, zit dat hoofdzakelijk in het uitvergroten van het hilarische van de situaties waarin de hoofdpersoon terechtkomt. ‘Gods eigen muziek’, met zijn sacrale titel, is een hilarisch boek.

Gaat het in dit boek om een homo-erotische liefde? De verteller houdt zich ook hier op de vlakte. Rijkers grote liefde is een man, zijn pornovriendje is een man, ja, maar evengoed heeft hij het over de vrouwelijke geliefden uit zijn verleden. Beide soorten liefde zijn aanwezig, de verteller maakt geen keuze.

Zwakste punt in dit boek is de structuur. Het geheel rammelt nogal, de delen hangen te los aan elkaar. En het hoofdstuk over een jury die een oordeel uitspreekt over de hoofdfiguur, mag er voor mij uit. Maar het geeft allemaal niet. U hebt geen nood aan schitterende recensies, geen **** of ***** van DSL hebt u van doen, ook geen facebookvriend die het op nr. 1 van zijn boekentoptien zet.  U hebt enkel het boek nodig, en de eerste zinnen ‘Op een dag liet iets dat nog geen naam of gezicht had, zich gelden in het leven van Rijker West. Het richtte het schroeien der hondsdagen op het raam van zijn appartement. Tegen de binnenmuren projecteerde het een veelhoekige gloed waarin zijn interieur een bleke, verlaten aanblik bood. Hij keek op uit zijn aantekeningen en …” En van dit slag zinnen hangt het boek aan elkaar, zinnen die de perfectie bereiken. Ik beloof het u : ‘Gods eigen muziek’ is als een douche waar je enkel uit weg wil als al het water op is. Want als woorden water waren dan is dit boek vol van het zachtste, strelendste, glanzendste water dat u ooit op uw huid kreeg.

Niets gaat ooit over (DSL 13/06/14)

Het artikel met deze titel gaat over ‘Het boek der gelijkenissen : een liefdesroman’ van Per Olov Enquist.
Van deze schrijver las ik vermoedelijk enkel de historische roman ‘Het bezoek van de lijfarts’. Dat is zo’n goed boek, dat een mens er vanzelf voorzichtig mee omgaat. Waarmee ik bedoel dat ik daarna niet naar iets anders van Enquist greep. Dit boek stond voor mij alleen. Andere werken van de auteur konden enkel afdoen aan mijn bewondering, dacht ik. Maar nu komt daar misschien gauw verandering in. Het is de recensie van Alexander van Caeneghem in DSL van 13 juni 2014 die alle twijfel wegneemt: het boek dat hij hier bespreekt wil ik lezen.
Omdat het, o.a., gaat over het conflict tussen het geloof, waarin de hoofdpersoon opgevoed is, en de lichamelijke liefde.
Omdat het gaat over een schrijver, waardoor het boek volgens de recensent een ‘metalaag’ krijgt.
Omdat het geen gemakkelijk boek is.
En vooral omdat het werk samengevat wordt als volgt: ‘de liefde is dat wat groter wordt als je deelt met anderen, na de helderheid en de nevelen komt de dood, een leven zonder lijden is geen leven, en niets, niets gaat ooit over’.
Een boek rond deze thema’s, een ‘liefdesroman’ dan nog, geschreven door een meester als Per Olov Enquist, dat wil ik lezen.

* Gelijkenissen = parabels?

Oorlog in het aprilnummer van Het Liegend Konijn

Het Liegend Konijn

Het aprilnummer van deze jaargang is gewijd aan oorlog.
Véél gedichten over oorlog, dacht ik, toen het lijvige nummer bij ons op tafel lag, te veel, dacht ik ook.
Maar nee, bij poëzie is het altijd sprokkelen. Veel ‘beginnen lezen’, eerder ongeïnteresseerd, want een bladzijde zet je niet noodzakelijk op gang, zoals bij proza. Veel bladeren, want hier de vorm, daar de eerste regels, een dichter, enkele woorden.
Bij Erik Spinoy was het de naam die me trok, vanuit een vroeger leven, en ja, bam!, dit is het:

Responsoria

‘Ik ben de stem die geen stem geeft aan wat al reeds een stem heeft’ (Lucebert)

Ik ben een stem die een stem heeft door wat nooit een stem heeft heen.

De stem ben ik die natte keelslag is in uitgedroogd geconverseer.

Ik ben de stem die het, alweer, een nieuwe keer probeert.

Hellfire, hellevuur: we sliepen zo vaak niet van het geronk.

We sliepen vaker niet van wat er in ons klonk: een soort van diepste ondertoon.

We liepen naar de plek waar zij zo-even had gestaan en schraapten van de muren wat er overbleef.

Nadien was de zomer plots zo heet dat gauw de kleine vijver droogviel
lis en riet verdorden en de kikvors stierf.

Niets maar niets dus wat men niet verwachten kon.

Erik Spinoy

‘die natte keelslag is’: god dit is mooi.

Bring up the bodies Hilary Mantel

Na ‘Wolf Hall’ lees ik nu het vervolg, ‘Bring up the bodies’. Ze zijn mijn type boek: de romantisering van een stuk geschiedenis. De feiten zijn gekend, maar hoe deden ze zich precies voor? Wie waren de betrokkenen? Hoe leefden ze? Wat waren hun motieven? Hoe zag het politiek landschap er toen uit? Hoe kaderde het stukje historie in de tijdsgeest? Welke karakters botsten of werkten samen in de ontwikkeling van de gebeurtenissen?
Of je nu wil of niet, je moet wel bewondering hebben voor Cromwell. Maar wie gedacht had in het hoofd van Cromwell te kunnen kijken, is er aan voor de moeite. Op het einde van ‘Wolf Hall’ lezen we dat hij zelden of nooit aan zelfreflectie doet. Ontgoochelend vond ik dat eerst, maar nu lijkt me dat een mogelijke verklaring voor zijn succes. Niet dat hij als een mens zonder gevoelens naar voor komt. De dood van zijn vrouw en zijn twee dochtertjes is een terugkerend motief. Maar Cromwell twijfelt nooit. Zijn geest is onvermoeibaar en altijd, altijd aan het werk.
Als ik één ding weet na het lezen van het eerste deel, is het dat niemand die direct met het koningshuis te maken had, zijn leven ooit zeker was. Cromwell allerminst natuurlijk.
Twee jaar geleden bezocht ik in London de nu weer opengestelde Tower. In een klein torenkamertje lees je dat dit het vertrek is waar Anne Boleyn opgesloten werd, voor ze ter dood gebracht werd. Als ik dat nu zou lezen, zou het me een schok van herkenning geven. Want ik ken Anne Boleyn nu, ik ken ook de koning, de hele hofhouding, en ik ken Cromwell en de machinaties die nodig waren om Anne Boleyn ten val te brengen.
Het woord ‘romantisering’ dat ik hier in het begin gebruik, heeft misschien de negatieve connotatie, van ‘mooier, sentimenteler maken’, maar voor mij betekent het gewoon ‘menselijker’ maken, menselijker, en dus ‘echter’, ‘breder’, ‘dieper’
Historische feiten situeren en verklaren door ze tot leven te brengen, negatief kan dat niet zijn.

Praten met de goden

Human traces Sebastian Faulks

Jacques Rebière and Thomas Mindwinter hebben dezelfde ambitie: inzicht krijgen in de kronkels van de menselijke geest, en mensen genezen van geestesziekten. Ze vragen zich af of geestelijk ziek zijn de prijs is die de mens betaalt voor het menselijk bewustzijn.
Het boek slabakt. Van Faulks las ik tot nu amusante verslagen van enkele dagen, hoogstens een week denk ik, uit het leven van een aantal mensen wiens wegen elkaar kruisen. Londen is de plaats waar dat gebeurt.
In Human traces schetst hij het leven van twee mannen die in het begin van deze eeuw op zoek zijn naar wat het betekent mens te zijn. Faulks verlaat hiermee de ruimtelijke en temporele beperking van zijn onderwerp, die hem als schrijver kenmerken, en slaagt daar niet goed in vind ik. Ik heb het boek nog niet uit, en wacht daarom nog met mijn definitieve bevindingen.
Maar wat ik wou noteren heeft hier eigenlijk niets mee te maken. Het is dit: Thomas vraagt zich af of mensen vroeger misschien werkelijk met de goden konden spreken. Of dat wat nu metaforen zijn, het ‘horen van stemmen’, ooit gewoon tot de fysieke werkelijkheid behoorde van mensen. Zouden mensen aanvankelijk direct met de goden gecommuniceerd hebben, zouden ze dus echte stemmen gehoord hebben die hen raad gaven, of waarschuwden voor verkeerde beslissingen? En is het zo gegaan dat naarmate ze verder evolueerden, en de nood om met de goden te spreken kleiner werd, ze die capaciteit verloren hebben?
Nu ik dit schrijf lijkt het me een beetje abstract, maar deze gedachte vond onmiddellijk een broedplaats in mijn hoofd.