Wordt vervolgd: mevrouwtje

Mevrouwtje staat met haar rug naar mij toe.
Mevrouwtje heeft zo haar redenen om mij af en toe haar rug te tonen.
Ze denkt dat ik niet weet welke transformaties haar gezicht kan ondergaan.
Nochtans weet ik het als de beste: af en toe verandert haar gezicht in de kop van een sissende slang.
‘We hebben twee exemplaren’, zegt ze. Ze sist het, liever, tegen mijn collega. ‘Dat is toch genoeg, we hebben er elk één’. Het gaat om een kaart voor een evenement in De Groene Waterman.
Wij zijn met drieën in het kantoor. De Groene Waterman is een Antwerpse boekhandel. Van ons drieën ben ik de grootste lezer. Dat is geen verdienste, lezen is mijn passie.
Toch ligt dat moeilijk voor mevrouwtje, en af en toe wil ze dat ik dat voel.
Als ze zich weer omdraait, kijkt ze mij niet aan.
Nee, ze gaat zitten en kijkt naar haar scherm.
Ze heeft het druk.
Mevrouwtje toch.

Wordt vervolgd: Loslaten

Loslaten, alles moest los. Eén keer demonstreerde hij het voor me. Hij wapperde met zijn handjes, schopte zijn spillebeentjes in het rond, blaasde tot hij bloedrood zag, en schudde woest zijn kortgeknipte kopje : ‘Zie je dat? LOSLATEN. Je moet het loslaten’. In mijn verbeelding zwermde een leger boosaardige, piepende wezentjes rond zijn hoofd, allemaal losgelatentjes. Jammer dat hij mijn ontslag niet losgelaten had. Had het erbij kunnen fladderen.
Een week was voorbijgegaan toen ik hem belde. Aan de telefoon klonk hij ongeduldig. Dat was niet nieuw, na de verplichte twee dagen begeleiding had hij zijn boekje losgelaten, blijkbaar, en alle beleefdheid was van toen af weg. ‘Heb je het nu nog niet losgelaten’ ‘Maar het is pas een week’. ‘Je moet het loslaten, loslaten, loslaten’. ‘Ik wou eigenlijk protesteren tegen een formulering in het bericht van mijn onstslag. Er staat een zin in die we niet afgesproken hadden’. ‘Loslaten is de boodschap’. Voor iemand die het loslaten predikt, is hij bijzonder vasthoudend.
‘Eh, wat zei je?’
‘Waarom hebben jullie er een zin aan toegevoegd?’
‘Toegevoegd, hoh, wij hadden samen niet de hele tekst overlopen toch, we hadden toch ook niets gezegd over de bedankingszin.’
‘Dat is niet hetzelfde’.
‘Dat is precies hetzelfde’.
‘Dat is niet hetzelfde. ‘We zijn niet over één nacht ijs gegaan bij het …. ‘ dat heb je eraan toegevoegd, tegen de afspraak in. Hoe moeten de mensen dat interpreteren? ‘
‘Ach, mensen zullen denken wat ze willen denken, dat doen ze altijd’.
‘Waarom voegde je dat er dan bij?
‘Wij wilden de organisatie zoveel mogelijk buiten schot laten, natuurlijk.’.
‘?????’
Onnozel ventje. Morgen wacht ik je op aan het Centraal Station, met mijn bokshandschoenen aan. BAM, een bloedneus, om mee te beginnen. Daarna … maar ik heb nog een heerlijk lange nacht om te denken aan wat ik daarna zal doen.

Wordt vervolgd

Een keer, we werkten toen al enkele maanden samen, had hij mij in een kantoortje op de 2de verdieping ontboden. ‘Denk jij’, zei hij, toen ik was gaan zitten, ‘dat ik jou viseer?’ Ik viel bijna van mijn stoel. Ik zweeg, verbouwereerd. geschrokken, en staarde toen gefascineerd naar zijn gezicht. Het leek of er met scherpe klauwen aan de binnenkant van zijn gezicht werd getrokken. Tegelijk werd het steeds kleiner en grauwer.
‘Nee, natuurlijk niet’, zei ik effen. ‘Waarom zou je dat doen? Nee, ik denk dat niet’.
Hij herkauwde zichtbaar mijn antwoord. ‘Ik denk dat’, zei hij toen, ‘omdat er aanwijzingen zijn die erop wijzen dat jij denkt dat ik jou viseer’. Nu sloeg ik bijna steil achterover. ‘Aanwijzingen?’
‘Ja, aanwijzingen. Meer kan ik je daarover niet zeggen’.
Ik dacht koortsachtig na: hij had aanwijzingen waarvan ik het bestaan eerder niet kende die erop wezen dat ik iets dacht, nl. dat hij mij viseerde. Maar waarom zou hij mij viseren? En welke verschijnselen vertoonde ik waarin hij een gedachte van mij kon lezen die ik niet had?
Ik schudde het hoofd. ‘Nee, ik denk dat niet’, echt niet’.
Even later liep ik de trap op naar onze verdieping.

Wordt vervolgd

Een hufterig ontslag : dagboek

Ik word wakker en onmiddellijk slaat het in mijn gezicht: ontslagen, niet meer gaan werken…
Dit kan toch niet. Ik ben 57. Ik was GOED in mijn job.
Is dit realiteit?
Het moet tegen vijf uur zijn, er is al licht buiten. Ik heb genoeg liggen woelen, ik moet eruit. Loop voorbij de spiegel in de badkamer, wil mijn gezicht niet zien. Het is het gezicht van een vrouw die haar ontslag kreeg.

Ik zet koffie, ongewoon voor mij, want doorgaans doet K. dat. Wen er maar aan, spreek ik mezelf toe. Niets wordt ooit nog als vroeger. Overdadig fluitende vogels. Zoals toen we buitenkwamen uit het rusthuis, mijn zus en ik, die nacht dat mama gestorven was.

Hoe kunnen ze? Hebben zij geen schaamte? Nee, zou mijn broer beamen, er is geen schaamte meer. De tijdsgeest, juist, wel, die heeft me daar een klap gegeven, ik weet niet waar ik stond, waar ik sta.

Aan de telefoon met de directeur maak ik de hele resem gemoedstemmingen door die ik in dit geval kan doormaken. Ik heb het over het omzetten van dit ontslag in een humoristisch boek. ‘Ah, zegt hij met een lach in zijn stem, “dan ging ik naar boekenwinkel en kocht het met plezier”. Ach god, hij denkt dat hij erom zou kunnen lachen, de sukkel. Nee, want onderweg rees ik voor hem op uit de grond, in het zwart gekleed, woest schuddend met mijn lange blonde haar, mijn groene ogen flikkerend van wraakzucht. Zzz, zzz, zzz dit is mijn zwaard over zijn borstkas: de Z van Zorro. Het bloed spoot eruit. De man aan de andere kant vermoedt niets, hij is duidelijk in zijn nopjes. Hier is hij goed in, hier ligt zijn sterke plek, mensen ontslaan.

Boontje

Dit is een oud bericht dat zijn status van ‘concept’ behouden had. Ik geef het hierbij vrij.

Zelfs in dit Boonjaar was ik niet geneigd om een stukje te schrijven over Louis Paul Boon. Ik erken in hem een echte schrijver en ik heb de meest bekende van zijn werken gelezen. Destijds, nu laat ik hem liggen. Maar in het recentste nummer van het tijdschrift nY, nr. 13, is de rubriek ‘De kwestie’ aan hem gewijd. In ‘Boonqoui’ hebben vier auteurs het over Boon en zijn werk, bewonderend, analyserend, relativerend …
Ik kan mezelf het best vinden in de J.Z. Herrenberg.
Als Herrenberg schrijft:’ … tussen Boon en mij botert het niet. We zijn incompatibel, niet congeniaal’, dan vat hij daarmee de essentie van mijn verhouding tot L.B. Boon.

Gods eigen muziek

Van Yves Petry – Mijn leven als foetus en De zorgen van een schrijver- naar Yves Petry: het werd tijd om zijn beschouwingen te ruilen voor zijn eigenlijke werk.petrygods In de Zondvloed kocht ik, een beetje voor de titel, ‘Gods eigen muziek.
Waarover het gaat: Rijker West, assistent-bioloog aan de universiteit, krijgt op een dag een ‘openbaring’: de liefde is een god en je moet zo liefhebben dat je een heilige wordt voor die god. Rijker reageert op de manier die voor hem voor de hand ligt, hij neemt ontslag bij de universiteit waar hij als bioloog werkt. Waarvoor hij natuurlijk geen begrip krijgt, netzomin als voor de boodschap zelf die hij wil uitbrengen. Niet bij de professor aan wie hij zijn ontslag telefonisch wil melden, niet bij de arbeidsconsulente bij wie hij terechtkomt als zijn uitkering dreigt stopgezet te worden, niet bij zijn broeder in de dronkenschap, niet bij zijn collega Annie of bij zijn pornovriendje Rits.

Enkele overpeinzingen:

In ‘Gods eigen muziek’ geeft de verteller zijn verhaal voor wat het is. Zo ondergraaft hij al onmiddellijk de theorie van een openbaring door de volgende zin: ‘Toen overkwam Rijker iets dat sommige mensen zouden omschrijven als een lokale, krachtige en ongerichte uitbarsting van neuronale activiteit in de rechtertemporaalkwab met hyperstimulatie van de amygdala tot gevolg.’ M.a.w. de verteller wijst er maar even op dat het helemaal geen openbaring hoeft te zijn, het is misschien gewoon een uitbarsting van neuronale activiteit. Geen spoor van enig engagement aangaande de inhoud van zijn verhaal dus, in plaats daarvan een ironische voetnoot.

Het is natuurlijk de vraag of dit verhaal zonder ironie kan. Een verhaal vertellen over een romantisch fenomeen als de absolute, -goddelijke? – liefde, het is ook niet niets. Een beetje relativering kan helpen als je de lezer wil meekrijgen. Geloof wat je wil, is hier dus de boodschap voor de lezer. En dat gaat meteen op voor het gegeven van een openbaring, waarmee het boek begint, en voor de inhoud van die openbaring, die het onderwerp van het boek zal vormen, ‘de absolute liefde’. Als de verteller al enig engagement vertoont, zit dat hoofdzakelijk in het uitvergroten van het hilarische van de situaties waarin de hoofdpersoon terechtkomt. ‘Gods eigen muziek’, met zijn sacrale titel, is een hilarisch boek.

Gaat het in dit boek om een homo-erotische liefde? De verteller houdt zich ook hier op de vlakte. Rijkers grote liefde is een man, zijn pornovriendje is een man, ja, maar evengoed heeft hij het over de vrouwelijke geliefden uit zijn verleden. Beide soorten liefde zijn aanwezig, de verteller maakt geen keuze.

Zwakste punt in dit boek is de structuur. Het geheel rammelt nogal, de delen hangen te los aan elkaar. En het hoofdstuk over een jury die een oordeel uitspreekt over de hoofdfiguur, mag er voor mij uit. Maar het geeft allemaal niet. U hebt geen nood aan schitterende recensies, geen **** of ***** van DSL hebt u van doen, ook geen facebookvriend die het op nr. 1 van zijn boekentoptien zet.  U hebt enkel het boek nodig, en de eerste zinnen ‘Op een dag liet iets dat nog geen naam of gezicht had, zich gelden in het leven van Rijker West. Het richtte het schroeien der hondsdagen op het raam van zijn appartement. Tegen de binnenmuren projecteerde het een veelhoekige gloed waarin zijn interieur een bleke, verlaten aanblik bood. Hij keek op uit zijn aantekeningen en …” En van dit slag zinnen hangt het boek aan elkaar, zinnen die de perfectie bereiken. Ik beloof het u : ‘Gods eigen muziek’ is als een douche waar je enkel uit weg wil als al het water op is. Want als woorden water waren dan is dit boek vol van het zachtste, strelendste, glanzendste water dat u ooit op uw huid kreeg.

Niets gaat ooit over (DSL 13/06/14)

Het artikel met deze titel gaat over ‘Het boek der gelijkenissen : een liefdesroman’ van Per Olov Enquist.
Van deze schrijver las ik vermoedelijk enkel de historische roman ‘Het bezoek van de lijfarts’. Dat is zo’n goed boek, dat een mens er vanzelf voorzichtig mee omgaat. Waarmee ik bedoel dat ik daarna niet naar iets anders van Enquist greep. Dit boek stond voor mij alleen. Andere werken van de auteur konden enkel afdoen aan mijn bewondering, dacht ik. Maar nu komt daar misschien gauw verandering in. Het is de recensie van Alexander van Caeneghem in DSL van 13 juni 2014 die alle twijfel wegneemt: het boek dat hij hier bespreekt wil ik lezen.
Omdat het, o.a., gaat over het conflict tussen het geloof, waarin de hoofdpersoon opgevoed is, en de lichamelijke liefde.
Omdat het gaat over een schrijver, waardoor het boek volgens de recensent een ‘metalaag’ krijgt.
Omdat het geen gemakkelijk boek is.
En vooral omdat het werk samengevat wordt als volgt: ‘de liefde is dat wat groter wordt als je deelt met anderen, na de helderheid en de nevelen komt de dood, een leven zonder lijden is geen leven, en niets, niets gaat ooit over’.
Een boek rond deze thema’s, een ‘liefdesroman’ dan nog, geschreven door een meester als Per Olov Enquist, dat wil ik lezen.

* Gelijkenissen = parabels?